Tanzania: het land met de vele gezichten
Veel jongeren zouden graag willen helpen in ontwikkelingslanden. Of dit nu in een weeshuis, school of ziekenhuis is maakt meestal niet veel uit. Het idee om bij te dragen aan de wereld en mensen te kunnen helpen die het moeilijk hebben in een ander land en een andere maatschappij zorgt er voor dat jongeren tijdens of net na hun studie afreizen naar bijvoorbeeld Cambodja, Afrika of Zuid-Amerika. Zo ook Willemijn ter Brugge, die tijdens haar studie psychologie een paar maanden met een vriendin naar Tanzania vertrok om daar ontwikkelingswerk te doen. Hier vertelt ze over deze ontroerende, spannende en vooral ook leuke ervaring.
Wanneer ik terug denk aan de reis die
ik heb gemaakt, voel ik weer van alles door elkaar heen: net als die
dag in oktober op Schiphol. Vreugde, omdat mijn wens in vervulling
ging en het zo’n schitterend land is, met vele schitterende mensen.
Verdriet, toen omdat ik iedereen hier drie maanden niet zou zien, nu
omdat het alweer zo lang geleden is dat ik de mensen die ik daar heb
leren kennen heb gezien. Angst, toen voor het onbekende, nu voor de
enge dingen die we hebben meegemaakt. Ontroering, omdat deze reis
mijn leven veranderd heeft.
Samen met een vriendin zijn we drie
maanden in Tanzania geweest. We hebben twee maanden vrijwilligerswerk
gedaan. Engelse les gegeven op een schooltje en kinderen verzorgd in
een weeshuis. In die twee maanden woonden we bij familie Renju in
Moshi, een dorpje vlakbij Arusha, recht onder de Kilimanjaro. Mocht
je ooit in Tanzania zijn, zou ik een bezoekje aan hen niet overslaan.
Pappa Renju spreekt Nederlands en heeft van alles gestudeerd dus is
een zeer prettige gesprekspartner. En mamma Lucy, tja, daar zijn geen
woorden voor: een echte Afrikaanse Mamma! Hun zoon, Joseph, was van
onze leeftijd, wat erg prettig was, hij heeft ons overal mee naar toe
genomen. Het hele dorp wist dat wij de blanken van Mamma Lucy waren,
waardoor niemand ons iets durfde te (of wilde) flikken. Geweldige
mensen, waardoor we ons gelijk thuis en veilig voelden. Wanneer je in
de tuin zat, kon je de Kilimanjaro zien. Elke dag leek hij weer
anders, maar altijd lag er sneeuw op de top. Een vreemde ervaring,in
je korte broek en hemdje kijken naar een besneeuwde bergtop!
Van tevoren dacht ik veel goeds te
kunnen betekenen voor de arme kindertjes, in praktijk viel dit tegen
of maakten we hun situatie zelfs erger. Zo hadden we een autootje
meegebracht met batterijen. Waar de kinderen eerst volmaakt tevreden
waren met een knuffel, wilden ze nu die rijdende auto. Het weeshuis
besteedt zijn geld logischerwijs natuurlijk liever aan luiers dan aan
batterijen, waardoor het autootje niet lang rondgereden heeft. Het
was indrukwekkend te zien hoe ze daar rond moeten komen met zo weinig
middelen. Schrijnend ook om te horen van Mamma dat de reden waarom ze
willen dat er vrijwilligers aanwezig zijn, is dat de kinderen dan
niet geslagen worden overdag door de zusters. We probeerden het
overdag zo aangenaam mogelijk te maken door de kinderen op schoot te
nemen, met ze te voetballen of te zingen en wandelen. Ik heb het erg
moeilijk gehad met het gebrek aan luiers: je werd diverse keren per
dag ondergeplast terwijl je de kindjes op schoot had. Iets wat je je
hier in Nederland niet eens voor kunt stellen! Ook vond ik het
hartverscheurend om te zien hoe een kindje zich aan me gehecht had in
die twee maanden. Om er bij vertrek voor te zorgen dat hij weer een
verdriet in zijn leven had. Hartverscheurend, waardoor ik nu anders
aankijk tegen de zin en on-zin van vrijwilligerswerk.
Overal in Tanzania is muziek. In de
eerste maand dat we er zaten klonk er elke nacht tromgeroffel. We
dachten dat dit normaal was en vonden het geweldig, maar toen het na
een maand stopte gingen we navraag doen. Het bleek voor de Ramadan te
zijn geweest! Door de familie leerden we veel mensen kennen in het
dorp. Het was geweldig met de mensen mee te mogen naar repetitie voor
het koor. Als het hier net zo ging, weet ik zeker dat de kerk iedere
zondag ook vol zou zitten! Wat kunnen die mensen swingen. En ik heb
dubbel gelegen toen er een versterker naar binnen werd gedragen en
het hele koor begeleid bleek te worden door een man op de elektrische
gitaar! Als dank voor onze inzet bij de repetitie kregen we een
bamboestengeltje om thuis op te eten…
Ook in de discotheken was het heerlijk
toeven. We wenden al snel aan de Konyagi, een soort cognac met een
promillage van 40%. Verschrikkelijk branderig, absurd goedkoop en
verschrikkelijk slecht voor je (niet alleen je hoofd, maar alles
doet zeer na een avond Konyagi drinken). Hier in Afrika geen
verlegen, langs de kant hangende mannen: de mannen dansen in het
midden van de dansvloer, en de vrouwen blijven langs de rand of aan
een tafeltje hangen, billen naar de dansvloer gericht en shaken maar!
Geweldig om te zien. Als liefhebber van het Afrikaanse muziek genre
kon ik hier mijn hart ophalen! Reggae kende ik al, maar ‘bongo
flava’, zeker een net zo grote beleving! (zie bijv. liedjes van Mr.
Nice op you-tube). We waren helemaal verbaasd dat de volgende ochtend
in de bus (7 uur ‘s ochtends) iedereen swingend in het busje zat
toen zijn muziek langskwam. Ook apart was het te merken dat de
kinderen die achter me in het busje zaten aan mijn haren zaten te
trekken. Ze kenden alleen maar zwart krul haar en ons stijle haar was
heel raar voor hen!
Alhoewel we ons het grootste deel van
de tijd heel veilig voelden, heb ik me toch een aantal keren heel
bedreigd gevoeld. Het ergste moment was een keer na het uitgaan. We
namen altijd een taxi, omdat wij blank waren vielen we op daar in het
donker en liepen we veel kans overvallen te worden op de stille
plekjes op weg naar huis. Op een keer stonden we ineens stil, in de
middle of nowhere. Het was pikdonker, ze doen daar niet aan
straatverlichting zoals hier in Nederland. Ons werd door de taxi
chauffeur vriendelijk doch dringend verzocht onder in de auto te gaan
liggen. Hij was vergeten te tanken en zou met een jerrycan en een
slang achter uit de auto nieuwe benzine in de tank laten lopen. De
bedoeling was aan de slang te zuigen, zodat de benzine uit het tankje
in de grote tank kon lopen. We keken lachend naar Joseph, maar deze
duwde ons naar beneden en vertelde ons: ‘this is a place where
people get killed’. Ik zag de angst op zijn gezicht. Wat werd ik
toen bang! De taxi chauffeur liep naar buiten om een benzinetankje
en de slang te halen. Ineens hoorden we hem kokhalzen: omdat hij zo
in de stress was had hij te hard aan de slang gezogen en liep de
benzine in zijn mond. Uiteindelijk is het hem gelukt en ik ben nog
nooit zo dankbaar geweest voor een rijdende auto.
De laatste maand kwam de vriend van
mijn reisgenoot ook en zijn we door het land gaan reizen. Toen pas
hebben we het Afrika gezien zoals velen, die enkel een paar weken in
het land zijn om op Safari te gaan, het zien. (wist je dat het woord
safari Swahili is voor reis?) In Tanzania spreken ze Swahili. Een erg
grappig taaltje, waarin alles vrolijk klinkt. Het uitspreken van
enkele woorden in Swahili kan je honderden euro’s besparen! Mijn
tip zou dus zeker zijn om de basiswoorden te leren voordat je op reis
gaat. Zoals: hallo (jambo), hoe gaat het (habari) en nee ( hapana).
Wel kan dit gebrekkige Swahili spreken hilarische situaties
opleveren! Zo vertelde een reisgenoot eens aan een jongen in de kroeg
dat de penis die haar die nacht gestoken had, erg groot geweest moest
zijn (mboo= penis, mbu=mug). Ook heb ik me dagen afgevraagd waarom de
ouders van onze gids die arme jongen ‘olifant’ (tembo) genoemd
hadden. (later bleek dat ik het verkeerd verstaan had, hij heette
Timba).
We zijn dolblij wat meer tijd gehad te
hebben het land en de mensen echt te leren kennen. We hebben een kant
van het land gezien, de mooiste kant vind ik, die je niet te zien
krijgt als je enkel op een georganiseerde ‘safari’ gaat We hebben
ervaren dat de mensen toeristen voornamelijk zien als geldmachines.
Zoals er in de Westerse cultuur vooroordelen zijn over Afrikanen,
hebben zij dit over blanke mensen. Nu bezorgen sommige toeristen je
ook wel het schaamrood op de kaken. Zo hebben we vrijwilligers
ontmoet die toegaven alleen maar in Afrika te zijn omdat het goed
staat op je CV.
Ook lijken sommige toeristen alleen
maar te komen voor het vastleggen van de Big Five voor thuis, vanuit
de luxe lodges. Maar goed, ik kan niet ontkennen dat ik niet de hele
tijd de neiging had foto’s te maken, zo overweldigend mooi is het!
Het leukste is een Pumba in het echt met zijn staartje omhoog over de
savanne te zien waggelen! De olifanten en giraffen waren
indrukwekkend groot. Het panoramische uitzicht bij de Ngorongoro
laat je je zo klein voelen, maar tegelijkertijd de koning van de
wereld. De beesten zijn mooi en grappig, net als de verhalen van de
gids. Gazelles noemen ze bijvoorbeeld de Mc Donalds van de savanne,
vanwege de tekening van een M op hun achterwerk.
Wij zijn van Arusha naar Zanzibar naar
Dar Es Salaam gereisd en hebben enkele dingen geboekt via
Ahsantetours, zoals de safari’s. Vooral wanneer je een iets kleiner
budget hebt is dit fijn, zij hebben bijvoorbeeld ook camping
safari’s. Het is ons erg goed bevallen. De rest hebben we ter
plekke geregeld. De bussen zijn warm en vol met mensen en soms zelfs
beesten! Ze rijden als gekken, maar het is wel erg goedkoop en een
echte belevenis. Niet aan te raden bij een zwakke blaas of maag, want
ze stoppen soms pas weer na 4 uur rijden. Veel gidsen werpen zich bij
de stations boven op je, dit kan soms vervelend zijn. Vaak hebben we
gewacht tot we het dorpje een beetje verkend hadden en tips voor
gidsen gevraagd bij het hotel bijvoorbeeld. Veel tussenliggende
plaatjes zijn rustig en daarom zeker een bezoekje waard als je het
‘echte Afrika wilt zien: kleine dorpjes, veel zand, heerlijk eten,
vriendelijke mensen, stranden waar je soms de enige bent, eindeloze
lege vlaktes. Ook Zanzibar is geweldig, met zijn Arabische invloeden.
Er is daar een eilandje waar je met de boot heen kan, en we het
volgende bordje aantroffen:
"please don`t sit on the turtles".
Dit leek mij nogal overbodig, want nee,
natuurlijk ga je niet op zo’n kleine schildpad zitten. Maar toen
zag ik ze : de grootste, krakende, langzaamste, maar ook
indrukwekkendste wezens die ik ooit gezien heb.
Kortom, Tanzania was voor mij een land
met heel veel verschillende gezichten. Een aanrader, zeker wanneer je
de tijd hebt en neemt het land en de mensen echt te leren kennen. Ik
hoop er zeker nog eens terug te keren. Als afsluiter wil ik jullie
het levensmotto van de Tanzanianen aanbevelen voor minstens de
komende week. Een motto dat wat we best eens wat meer zouden mogen
toepassen in Nederland:
Hakuna
matata, hakuna haraka! (don’t
worry, don’t hurry!)



